Nederlands

Beobachtungen zur niederländischen Sprache

Boef

Boefjes (Wilhelm Busch, CC-PD-Mark)

Het thema Boef werd me door Truus De Wilde toegeschoven want, zo legde ze me uit, ze zou het als liefhebbende Vlaamse moeder niet over haar hart kunnen verkrijgen (nicht übers Herz bringen können) haar zoon een boef(je) te noemen.
Ik wel dus; ik ken Kamiel en weet dat hij wel eens stiekem de poppen van zijn zussen verstopt of zijn ouders probeert te foppen: het is een boef(je)! (Schelm).
We zouden hem ook een rakker, bengel of deugniet kunnen noemen. Kortom: prima ventje (kleiner Junge), die Kamiel – niks mis mee (voll in Ordnung)!

Hoewel een boef oorspronkelijk een schurk is, een boosdoener (Bösewicht), een slecht mens dus, werd het woord al in de 17e eeuw ook speels gebruikt, lees ik hier. Joost van den Vondel (1587-1679) dichtte:

Koridon! gij zijt een boef,
Laat de maagden eenzaam peinzen!

Ook werd de god Cupido wel boefken (boefje) genoemd, een ondeugend (frech, schelmisch) jongetje. En dan hebben we nog M.J. Brusses populaire jongensboek Boefje (1903), het verhaal van een Rotterdamse kwajongen (Bengel) over wie een pastoor zich ontfermt (sich seiner annimmt) omdat hij in dat boefje het goede ziet en wil ontwikkelen. Zijn jonge stadgenoot Ketelbinkie had dat geluk niet.

Het is misschien boud (dreist) te veronderstellen dat de zuiderburen de semantische ontwikkeling van de boef gemist hebben omdat ze na de val van Antwerpen in 1585 van het noordelijke taalgebied afgesneden waren – en aan het begin van de 20e eeuw nog midden in de taalstrijd in eigen land zaten.
Feit is: boef of boefje zegt een Vlaamse moeder niet tegen haar eigenste, allerliefste deugniet.

Boefje werd in 1939 verfilmd en wel door de uit Duitsland gevluchte Hans Detlef Sierck, die in Hollywood als Douglas Sirk bekend zou worden. Aan het draaiboek werkte o.a. Carl Zuckmayer mee.

ACHTUNG: Daten nach YouTube werden erst beim Abspielen des Videos übertragen.

U heeft inmiddels een aantal Nederlandse woorden gelezen die allemaal hetzelfde betekenen: rakker, bengel, kwajongen, boef, deugniet… – schavuit hoort er eigenlijk ook nog bij maar is een beetje ouderwets en bovendien sinds 2010 de titre de courtoisie van prins-gemaal Bernhard (1911- 2004).

De deugniet – dit tot slot – maakt waar wat hij belooft (hält, was er verspricht): het is een valse vriend (falscher Freund). Deugen is taugen; een deugniet is iemand die ondeugend (ungezogen, ungehorsam, schelmisch) is, maar hij is allesbehalve (keineswegs) een Taugenichts!

Joseph von Eichendorff had het over een nietsnut!

Tags: ,

Der Beitrag wurde am Montag, den 16. November 2015 um 08:03 Uhr von Johanna Ridderbeekx veröffentlicht und wurde unter Sprachvariation, Sprachvergleich abgelegt. Sie können die Kommentare zu diesem Eintrag durch den RSS 2.0 Feed verfolgen. Kommentare und Pings sind derzeit nicht erlaubt.

Kommentarfunktion ist deaktiviert